Fiscale gevolgen vernieuwde huwelijksvermogensrecht

Sinds 2012 geldt nieuw huwelijksvermogensrecht. Een aantal punten zijn drastisch gewijzigd, waaronder de vergoedingsrechten. Daarnaast is de beleggingsleer gecodificeerd in de wet. De wijzigingen hebben diverse gevolgen. In deze bijdrage wordt ingegaan op de fiscale aspecten van het vernieuwde huwelijksvermogensrecht.

De vergoedingsrechten in het kort

De vergoedingsrechten met beleggingsleer brengt met zich mee een vergoedingsplicht ontstaat voor de echtgenoot wie ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot een goed verkrijgt dat tot zijn vermogen zal behoren, of een schuld ter zake van een tot zijn vermogen behorend goed wordt voldaan of afgelost. De vergoeding beloopt een evenredig deel van de waarde van het betreffende goed op het tijdstip waarop de vergoeding wordt voldaan, zowel in positieve en negatieve waardeontwikkeling van dat goed. De andere echtgenoot wordt dus economisch deelgerechtigde van het goed.

Verwerft een echtgenoot ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot een goed of lost hij een schuld af waar geen consumptief doel ten grondslag ligt, dan is het antwoord op de vraag of de andere echtgenoot toestemming heeft gegeven, doorslaggevend of de beleggingsleer van toepassing is.

Is het geld besteed zonder toestemming van de echtgenoot? Dan heeft de echtgenoot een nominale vordering. Hij deelt dan wel in de winst, maar niet in het verlies.

Heeft de echtgenoot echter toestemming gegeven, dan deelt de echtgenoot in zowel de winst als het verlies. Hier is dus de beleggingsleer van toepassing.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat voornoemde niet geldt bij bestedingen voor consumptieve doeleinden. De vergoedingvordering beloopt hier de vergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente (6%).

Inkomstenbelasting

Vergoedingsrechten dienen opgenomen te worden in de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. Het is derhalve zeer van belang te realiseren wat de consequenties zijn van de werking van het vernieuwde huwelijksvermogensrecht. Als echtgenoten over en weer vergoedingsvorderingen en –verplichtingen hebben, dienen zij deze in Box III op te geven. De verplichting wordt opgenomen tegen de nominale waarde. De vordering dient voor de marktwaarde opgenomen worden. Hier verdient opmerking dat de Minister van Financiën bij besluit van 7 maart 2013, nr. BLBK2013/233M, heeft besloten dat vergoedingsrechten met beleggingsleer niet in de aangifte opgenomen hoeven te worden, indien beide echtgenoten het daarover eens zijn.

Hierna zullen met een vijftal voorbeelden de fiscale gevolgen van het vernieuwde huwelijksvermogensrecht worden weergegeven.

 

1. Woning (Box I)

Feiten:          A en B zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. A erft onder uitsluitingclausule € 300.000. A koopt daarmee een woning van € 500.000. De resterende € 200.000 wordt gefinancierd middels een geldlening. Het huis staat op naam van A. A en B wonen gezamenlijk in het huis. B dient een verzoek tot echtscheiding in en laat zich tevens inschrijven op een ander woonadres bij de gemeentelijke basisadministratie. De waarde van de woning is op dat moment € 800.000.

Vraag:          Heeft B recht op de waardetoename van de woning?

Uitwerking:  De woning is voor meer dan de helft ten laste van het privévermogen van A gekomen. Hierdoor valt de woning niet in het huwelijksgemeenschap. De schuld volgt de woning en valt derhalve ook niet in het huwelijksgemeenschap. De volledige waardestijging komt toe aan A.

Zolang de echtgenoten als fiscaal partner kwalificeren, dienen zij gezamenlijk aangifte te doen. De woning en de geldlening worden in box I opgenomen als eigen woning. De toedeling zal derhalve niet blijken uit de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.

De woning zal na vertrek van B in zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen worden verantwoord. Aangezien A in de woning blijft, blijft de eigenwoning regeling van toepassing. B heeft geen vergoedingsvordering op A. Zij hoeft derhalve hieromtrent niks te verantwoorden in haar aangifte.

 

2. Woning 2 (Box I)

Feiten:          A en B zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. B krijgt onder uitsluitingclausule een schenking van € 100.000. Het bedrag heeft B aangewend voor de koop van een woning voor € 300.000. De resterende € 200.000 wordt gefinancierd middels een aflossingsvrije geldlening. B dient een verzoek tot echtscheiding in en laat zich tevens inschrijven op een ander woonadres bij de gemeentelijke basisadministratie. De waarde van de woning is op dat moment € 900.000 en de geldlening € 200.000.

 

Vraag:          Heeft B recht op de waardetoename van de woning?

Uitwerking:  De woning is in dit voorbeeld voor 1/3 deel ten laste van het privévermogen van B gekomen. Zowel de woning als de schuld vallen nu in de huwelijksgemeenschap. B krijgt een vergoedingsrecht van 1/3 op de woning. Het saldo van 2/3 van de woning verminderd met de schuld komt partijen ieder ten helften toe.

Ook hier geldt dat zolang de echtgenoten als fiscaal partner kwalificeren, de toedeling niet zal blijken uit de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. Partijen doen gezamenlijk aangifte. De woning en de geldlening worden in box I opgenomen als eigen woning.

De woning zal na vertrek van B in zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen worden verantwoord. Aangezien A in de woning blijft, blijft de eigenwoning regeling van toepassing. B heeft een vergoedingsvordering op A. De vergoedingsvordering gaat met toepassing van de echtscheidingsregeling na uiterlijk 2 jaar over van Box I naar Box III.

 

3. Aanmerkelijk belang (Box II)

Feiten:          A en B zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. B ontvangt van zijn vader een schenking onder uitsluitingclausule van € 25.000. B stort deze schenking op een aparte bankrekening. A gebruikt de € 25.000 van B, met zijn toestemming, voor volstorting van het aandelenkapitaal in X BV. A blijkt een succesvolle ondernemer. Na 5 jaren maakt zijn BV meer dan € 5 miljoen winst. B dient een verzoek tot echtscheiding in.

Vraag:          Wat is de vordering van B op A?

Uitwerking:  A heeft de juridische eigendom van de aandelen. B heeft de economische eigendom van de aandelen. Beide dienen hun eigendom in box II te verantwoorden. Bij dividenduitkeringen komt 50% toe aan A en 50% komt toe aan B. B heeft een vorderingsrecht op de gemeenschap van € 5 miljoen.

 

4. Winst uit onderneming

Feiten:          A en B zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden; koude uitsluiting. A is ondernemer. A heeft geld nodig voor zijn ondernemer. A gebruikt daartoe € 250.000 van A. De waarde van de onderneming bedraagt op dat moment € 500.000.

Vraag:          Is door deze lening medegerechtigheid ontstaan waardoor A de helft van zijn onderneming heeft gestaakt?

Uitwerking:  Door investering ontstaat economische gemeenschap. B verkrijgt een vergoedingrecht van 50% op de onderneming. A heeft voor de helft zijn onderneming gestaakt.

 

5. Terbeschikkingstellingregeling

Feiten:          A en B zijn op huwelijkse voorwaarden getrouwd; koude uitsluiting. A is 100% aandeelhouder in X BV.  X BV verwerft een pand voor € 400.000. A financiert dat met een TBS-lening aan X BV. Die lening is “verkregen” voor 50% van B.

Vraag:          Krijgt B een vordering op A?

Uitwerking:  Er is geen sprake van een investering in een (waardefluctuerend) goed. B krijgt een vordering op A. Deze vordering valt onder de TBS-regeling. Deze situatie is niet gewijzigd. Ook onder het oude regime, was de uitwerking zoals hiervoor.

Zoals blijkt vergt het vernieuwde huwelijksvermogensrecht een goede administratie.

 

Overdrachtsbelasting

Het verkrijging van een economische belang bij een onroerende zaak is in beginsel een belaste verkrijging voor de overdrachtsbelasting. Deze problematiek speelt ook bij de verkrijging van een vergoedingsvordering op basis van het vernieuwde huwelijksvermogensrecht. Verkrijging leidt dusin beginsel tot heffing van overdrachtsbelasting. De Minister van Financiën heeft bij besluit van 14 december 2011 goedgekeurd dat heffing van overdrachtsbelasting achterwege blijft in een dergelijke situatie.

Erfbelasting

Giften en andere handelingen die als legaat worden aangemerkt, kom sinds 2012 niet meer ten laste van de huwelijksgemeenschap. De legaten zijn een privéschuld van de echtgenoot die de legaat heeft verstrekt. N.B. Deze regeling geldt niet als de gemeenschap is ontstaan voor 2012. De vergoedingsvorderingen (en schulden) beïnvloeden derhalve de omvang van de nalatenschap en daarmee de verschuldigde erfbelasting bij het overlijden van één der echtgenoten.

Oplossingen?

Er zijn oplossingen om de vergoedingsrechten met beleggingsleer buiten werking te stellen. Ten eerste kunnen echtgenoten afwijken van de wettelijke regeling door dat af te spreken met elkaar. Partijen komen (met voorkeur schriftelijk) overeen dat sprake zal zijn van een nominaal vergoedingsrecht. De overeenkomst die ten grondslag ligt, dient echter ten aanzien van alle elementen zakelijk te zijn. Om een schenking tussen echtgenoten te voorkomen, dient de rentevergoeding ten minste 6% te bedragen.

Daarnaast kunnen de bepalingen van de vergoedingsrechten met beleggingsleer buiten werking gesteld worden door het aanpassen/opstellen van huwelijkse voorwaarden. Het aanpassen van de huwelijkse voorwaarden staande het huwelijk is per 2012 sterk vereenvoudigd. Er is namelijk geen toestemming meer nodig van de rechtbank.

Tot zover. Mocht u met betrekking tot vorenstaande vragen hebben, neem dan gerust contact met ons op.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.